De olijfboomgaard overheerst alles.

Hij komt plotseling tevoorschijn uit zijn grijzige as en voegt een nieuwe noot toe aan het leven. De landweggetjes vullen zich met stemmen, zo tussen het bescheiden groen. Dit oneindige woud bedekt het hele eiland. Dertien miljoen bomen spreiden hun zegen uit, steeds verder en verder, van de top van het gebergte, over de vlakte tot aan de kust. Ze klimmen tegen de hoogste toppen op, rollen zich uit over de laagvlaktes, buigen zich over de branding, vastgehouden door de rotsen, vastgeklemd in de scheuren van de stenen. Overal waar maar een handvol aarde te vinden is, staat een boom. Waar God zelfs geen handvol aarde neergelegd heeft, dragen ze hem zelfs aan op ezelsruggen, in grote manden van wilgentenen. Midden op het veld maken ze een terrasje, bouwen er een muurtje omheen en planten er een nieuwe olijfboom.

Alle bergen zijn bezaaid met van die muurtjes. ‘Podomes’ noemen de dorpelingen ze, een term van hun voorouders. Via die terrasjes klimmen de heilige bomen steeds hoger de bergen op, tot aan de hoogste top. Generaties lang hebben ze daar geleefd en zijn er doodgegaan, in een liefdevolle omhelzing over de aarde gebogen, vruchtbaar als een vrouw.
Strátis Myrivílis

Strátis Myrivílis (pseudoniem voor S. Stamatópoulos) is een Griekse schrijver van het eiland Lesbos en leefde van 1892-1969. Er zijn twee romans van hem vertaald in het Nederlands. ‘Sappho, de onderwijzeres met de gouden ogen’ en ‘De madonna met de vissestaart’. Beide spelen op Lesbos tussen de eenvoudige bevolking van vissers en olijvenboeren.