Op een dag, zomaar ineens (werkelijk, hoe kwamen ze erbij?) besloten de bomen dat ze een hogere instantie nodig hadden, iets dat boven hen stond. Ze hadden onderling niets te verdelen, de één kon niets opeisen van de ander; contacten, die altijd duidelijk en betrouwbaar waren, hadden ze alleen met de aarde, de regen en de zon. Wat wilden ze verdorie, toch met zo’n hogere macht, zo’n gezag boven zich? Voelden ze zich eigenlijk onzeker? Hadden ze toch een aangeboren behoefte aan toewijding en onderworpenheid? Wie weet? Wie zou de gedachten van bomen kunnen lezen?

Enfin, hoe het ook was, de bomen waren vastbesloten zich te onderwerpen aan iemand die de scepter zwaaide. Ze begonnen dus bij de olijf en terwijl ze eerbiedig voor haar bogen, stelden ze haar voor haar tot hun koningin uit te roepen.[1]

De olijf, toen zij hun voorstel hoorde, schudde charmant haar zilvergroene bladeren in de wind en zei: “Kom nou, vrienden, denk toch eens na! Moet ik mijn olie opgeven, die door goden en mensen geroemd wordt, om koningin van de bomen te worden? Klop op een andere deur!”

En de bomen klopten op de deur van de vijg en terwijl zij hen aanhoorde, schoot zij in de lach en zei: “Die is goed… Zou ik mijn zoete vruchten achterlaten, die genoegen schenken aan goden en mensen, om fier en trots te paraderen als koningin over alle bomen? Klop op een andere deur!”

En ze klopten op de deur van de wijnrank. “Zeg vriend”, zeiden ze, “wordt onze koning en we zullen voor je buigen als knipmessen”.[2]

“Jongens, kom bij je positieven!”, antwoordde de wijnrank. “Moet ik mijn druiven en mijn wijn, die blijdschap schenken aan goden en mensen, opgeven, opdat jullie voor mij zullen buigen? Wijn geef ik jullie zoveel als jullie willen, maar houd het koninkrijk verre van mij. Drink een beker, mijn vrienden, en je zult zien, dat jullie jezelf als koningen voelen”.

De bomen hadden het wel gezien en zonder de wijn van de wijnrank te drinken, saai als ze waren, wendden ze zich tot de doornstruik.

“Doornstruik, vrouw doornstruik”, zeiden ze, “we voelen ons weerloos, verloren onder die open hemel. Kom, we smeken je , word onze koningin en beschermster.

De doornstruik zag hen met medelijden aan en zei: “Luister, met alle plezier wil ik jullie koningin worden, maar, om jullie te beschermen tegen die open hemel, moeten jullie heel klein worden en onder mijn doornen komen. Ik kan niet groter worden, onmogelijk. Die bescherming, jazeker, luister goed naar me, kost pijn en bloed. Neem dus een beslissing”.

De bomen hoorden de woorden huiverend aan, deinsden verschrikt terug en begonnen fluisterend met elkaar te beraadslagen. Dat overleg duurde uren en toen het afgelopen was, naderde de Judasboom, de moedigste van het gezelschap, de doornstruik en zei: “Doornstruik, vrouw doornstruik, neem ons niet kwalijk, maar alle leden hebben besloten dat het goed is zoals we nu zijn. Als bescherming zoveel kost, is het beter onbeschermd te blijven. Met alle respect hoor!”

“Niet erg hoor!?” zei de doornstruik, met een schalks glimlachje. “Zo ben ík verlost van al die bureaucratie; hofhouding onderhouden, hovelingen, narren, hielenlikkers… je weet wel… Het is goed zoals ik ben; de zorg voor mijn doornen is me genoeg.

De bomen bogen zich diep, bijna als onderdanen, namen hun wortels op en vertrokken triest. Echter, toen ze daar zo liepen, zwijgzaam, gebogen, hield de moedige Judasboom plotseling stil en riep uit: “Maar jongens, wachten jullie eens even, wat een gezichten zijn dat? Waar gaan we naar toe? Naar een begrafenis? Ik zal jullie eens de bittere waarheid vertellen, ik heb helemaal geen behoefte aan een koninkrijk, ik ben jullie alleen maar gevolgd om geen spelbreker te zijn. Ik stel dus voor om alles te vergeten en nog in te gaan op de uitnodiging van onze vriend de wijnrank om ons op een wijntje te trakteren en zo de sfeer een beetje op te vrolijken.

En zo gebeurde; de bomen verzamelden zich rond de wijnrank, die ze bereidwillig trakteerde op het ene glas na het andere.

Het was avond toen ze er aankwamen, en toen ze meer dan twee glazen gedronken hadden, was het nacht geworden, en plotseling keek de appelboom, die tot dan zwijgend gedronken had, omhoog en riep, met een beetje vervormde spraak: “Kijks vlienden, kijks! De hemel’s nie leech, helemaal nie leech, hij’s fol sterre! Nog noot heb’k sofeel sterre gesien!” En hij sprak de waarheid, want, zoals bekend, heeft wijn het vermogen de sterren te verveelvoudigen en je het gevoel te geven dat je hun koning bent. Ja, Koning van de sterren.

Lering I: Zint, eer gij begint!

Lering II: Als je per se een koning wilt, wees dan wel trouw aan jezelf.

Uit:

De horizontale hoogte en andere ongewone geschiedenissen

Deze verhalenbundel kreeg de Griekse staatsprijs voor het verhaal in 2009

Vertaald door Ineke van Wijhe-Taekema

Aryiris Chionis (1943-2011) was in de eerste plaats dichter. In 1968 kwam hij naar Nederland waar hij letteren studeerde. Zijn gedichten verschenen toen in Nederlandse literaire tijdschriften. In 1992 vestigde hij zich voorgoed in Griekenland, nadat hij 10 jaar als vertaler in Brussel had gewerkt.

Diverse dichtbundels van hem zijn vertaald in het Nederlands. De vertaling van zijn dichtbundel ‘Esoterische landschappen’ verscheen in 2012

 

 

[1]Bomen zijn in het Grieks vrouwelijk.

[2]De wijnrank is in het Grieks onzijdig.